TPAW COLUMN - Martin van der Graaff

‘Heel lang geleden...’


Heel lang geleden, toen de wereld nog mooi en goed was, werkte je als ambtenaar uitsluitend op de plek, meestal een kamer, die je werkgever je daartoe ter beschikking had gesteld. Je kon zo’n gerieflijke ruimte helemaal “customizen”. Plantjes, plaatjes naar keuze aan de muur, foto van het gezin op je bureau. Niet dat zo’n kamer echt nodig was, want in principe kon je overal werken.


Het enige dat je daarvoor nodig had was een vel papier en een balpen. Soms was een stompje potlood ook voldoende. Het woog weinig, je had wifi-bereik noch voedingskabels nodig, en je had volledige controle over wie jouw schrijfsels kon inzien. Bovendien was het een stimulans om je woorden zorgvuldig te kiezen, want doorhalingen en verbeteringen zagen er lelijk uit.

Wat ook fijn was: je had toen nog een achturige werkdag en ook in het weekend was je helemaal vrij. Al je collega’s zaten op een vaste plek, parttimers waren er vrijwel niet, het woord jobhoppen was nog niet uitgevonden.


Vandaag de dag zijn we radicaal uit dat paradijs verdreven. God is een klein beetje dood, en ook je werkgever zorgt anders voor je dan vroeger. Je bent een soort ZZP-er geworden met een vast salaris. Vandaag de dag faciliteert de werkgever jouw werkomgeving. Dat klinkt zorgzaam, maar betekent in de praktijk dat je recht hebt op niet meer dan 0,7 werkplek, mits je fulltime werkt, anders is het nog minder. Je krijgt wel een kekke computer mee naar huis, in ruil waarvoor je baas van je verwacht dat je ook ’s avonds en in het weekend reageert op berichten. In toenemende mate zie je, als het je tenminste gelukt is om op kantoor aan te landen op een werkplek, later op de ochtend een stoet verwilderd rondkijkende collega’s passeren, tas met computer aan de schouder en een rolkoffer voorttrekkend. Het wordt steeds makkelijker om je te verplaatsen in een Syrische vluchteling. Er is ook weinig verschil meer te zien met de zwervers die door de stad sjokken, vastgekleefd aan een supermarktkarretje gevuld met have en goed.


De nieuwe werkcultuur gaat door het leven als TPAW. Dat staat voor tijd-, plaats- en apparaat-onafhankelijk werken. Waarom de O van onafhankelijk, de kern van het hele begrip, niet in de afkorting terecht is gekomen, Joost mag het weten. Mogelijk omdat die O ten onrechte de indruk zou wekken dat dat medewerker zelf onafhankelijk is. Niets is minder waar, je zit vaster aan de werkgever dan ooit tevoren.


Die keren dat je dan toch nog op kantoor komt, krijg je een multifunctionele werkomgeving voor je kiezen. Daar mag je absoluut geen persoonlijk accent bij aanbrengen, alles moet steriel, afwasbaar en inwisselbaar zijn. Op de kunst na. In het oude kantoor werd één van de vergaderzalen opgefleurd door een vijf meter breed schilderij. Het stelde een enorme zwarte inktvlek voor. Mogelijk was het een ode aan de goede oude tijd, toen er nog met een pen geschreven werd. Ik huiver bij de gedachte alleen al aan de kunst die straks het vertoeven in zo’n ultramoderne kantooromgeving tot een integrale werkervaring moet verheffen. Ik stel me een sculptuur voor bestaande uit een klont slordig gecomprimeerde telefoontoestellen, waar nog wat ouderwetse snoeren uit hangen, die zachtjes meewiegen met de airconditioning. Het enige dat zal helpen om te wennen aan dat nieuwe leven: erover schrijven. Desnoods met een balpen. Dat is de beste Neugestaltungsbewältigung. Wie volgt?